Een Brits onderzoek bracht in 1910 aan het licht dat Leuvense arbeiders jaarlijks ongeveer 33 kg vlees aten. Het ging vooral om varken, spek en charcuterie (56%). Populair in Leuven waren (nog meer dan in Brussel) bereide vleeswaren op basis van varken, zoals boudin blanc, boudin noir, leverpastei en kip-kap. Verder kochten zij ook nog rund- en paardenvlees, schaap en konijn.
In de stad werd veel vlees gegeten; tijdens de 19de eeuw zelfs meer dan op het platteland. Dat is een merkwaardige vaststelling. In de stad werd immers nauwelijks vee gekweekt, en nam af naarmate de stedelijke bevolking groeit en de beschikbare ruimte kleiner wordt. Vlees in de stad is dus geen evidentie...
Een netwerk van personen en instellingen (een soort 'vleesketen') zorgde ervoor dat vee en vlees wordt aangevoerd en terechtkwam bij de consument. Het ging om veehouders, handelaars, slachters, vleeskeurders, slagers en beenhouwers. In deze publicatie wordt de werking en de evolutie van dat 'vleessysteem' in Leuven getoond, met als blikvanger en centraal punt het stedelijk slachthuis.
Auteurs
Yves Segers, Hans Verhoosel, Wim Lefebvre
Uitgever
Centrum Agrarische Geschiedenis, Leuven
Datum
2003
Formaat
20 p.
Deze publicatie is niet meer verkrijgbaar.