Koffiedrinken

Van een Afro-Arabische drank werd koffie een typisch Europees en Amerikaans consumptieproduct en van een exclusieve delicatesse groeide het uit tot een drank die past op elk moment van de dag, voor iedereen.

Maar niet alles veranderde. Nog steeds, net als vroeger, zijn de effecten van koffie veelbesproken. En nog steeds gaat het bij koffiedrinken vaak om meer dan koffie drinken: het gaat om (buitenshuis) van gedachten wisselen en samen zijn.

Koffie in restaurant Bavaro op de Grote Markt in Mechelen. Fotograaf onbekend, 1937. Regionale beeldbank Mechelen, Collectie Koninklijke Beiaardschool Jef Denyn.

Early adopters

Volgens de mythe van Kaldi waren monniken de eerste koffiedrinkers. In werkelijkheid waren de eerste drinkers ook religieuzen: laat-vijftiende-eeuws Jemenitische soefi’s namelijk. Koffie hielp hen om zo lang te zingen en dansen dat ze in trance raakten. Zij speelden een belangrijke rol in het verspreiden van koffiedrinken in Arabische en later ook Ottomaanse steden in de loop van de zestiende eeuw.

Koffiehuizen, eerst tenten langs de weg en nadien luxueus ingerichte plekken werden druk bezocht. Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw leerden West-Europese geleerden die Ottomaanse koffiehuizen kennen. Ze schreven over de plant en zijn effecten, maar evengoed over het drinken van koffie. De drank was zo heet, viel hen op, dat je moest sippen om je niet te verbranden.

Mannen drinken koffie en roken waterpijp voor een koffiehuis in Caïro. Foto door Félix Bonfils, ca. 1888 - 1889. Rijksmuseum Amsterdam, inv. nr. RP-F-1997-27-10.

Exclusiviteit

In de loop van de zeventiende en de achttiende eeuw nam de koffiehandel en dus ook consumptie toe. Langzaam weliswaar, koffie was immers erg duur. Net daarom was het de ideale drank om mee te pronken. Dat de drank uit het Oosten kwam was een bijkomend voordeel.

De pracht en praal van het Ottomaanse hof zorgden voor een ‘Turkomanie’ bij de Europese koninklijke en adellijke hoven en de hoogste burgerij - en koffie hoorde daarbij. Koffie werd geschonken in de ‘beste camer’ en oorspronkelijk alleen bij belangrijke feesten. Later organiseerde de gegoede klasse ook koffievisites met taart. Uiteraard hoorde bij exclusieve koffie een exclusief koffieservies, compleet met kopjes, schoteltjes, een koffiekan, een suikerstrooier en een melkkannetjes uit porselein of zilver.

Ets van een zilveren koffie- en theeservies op een dienblad. Ontworpen en getekend door Eduard Niermans, 1869 - 1890. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, inv. nr. RP-P-1890-A-16134.

Koffie-etiquette

Koffiedrinken gaat van in de achttiende eeuw gepaard met tal van etiquetteregels. Het kopje aan het oor in de rechterhand, het schoteltje in de linker tonen reclame-affiches en schilderijen. Maar evengoed zijn er afbeeldingen van vrouwen die sippen van het schoteltje.

Het oor aan het kopje dateert van de zeventiende eeuw. Het liet toe om een beker met warme drank – koffie of thee – vast te houden. Het schoteltje werd geïntroduceerd in de achttiende eeuw. Door een beetje koffie in het schoteltje te gieten, koelde die sneller af. Niet iedereen goot de koffie nadien terug in het kopje.

Vanaf de negentiende eeuw werd het gebruik om te sippen van het schoteltje afgekeurd in etiquetteboekjes. Ook vandaag zijn er nog koffieregels, vooral voor wie buitenshuis koffiedrinkt. Zit je aan tafel, dan drink je uit je kopje en laat je je schoteltje staan. Sta je recht, dan neem je je schoteltje mee.

Maar koffieregels zijn plaatsgebonden. Ieder land heeft zijn eigen koffie-etiquette. En hoe meer een land koffieland is, hoe uitgebreider de koffiecode. In Ethiopië, het moederland van koffie, bestaat een heuse koffieceremonie die branden, zetten én drinken omvat.

Een stijlvolle reclame voor de gebrande koffie van Delhaize. Ontwerper onbekend, ca. 1890 - 1914. Collectie Delhaize.

Koffiehuizen

Het eerste Europese koffiehuis opende in 1645 in Venetië. Nadien volgden Oxford en Londen, Amsterdam, Antwerpen, Wenen, Parijs, Brussel en tal van andere Europese steden. De klanten verschilden: handelaars, studenten, zakenlui, politici, diplomaten, schrijvers en journalisten.

Wat ze gemeen hadden was dat ze behoorden tot de stedelijk elite. Koffie hoorde bij de stad. Wie koffie dronk, verklaarde zichzelf kosmopoliet en vrije denker. Mensen die elkaar tevoren niet eerder hadden ontmoet, wisselden er van gedachten over wetenschap, politiek en cultuur.

Koffiehuizen waren plekken waar de publieke opinie zich vormde. Om die reden – en om geen belastingen op koloniale waren mis te lopen – waren Europese koffiehuizen strikt gereglementeerd. Vrouwen waren trouwens ook welkom in het koffiehuis, als uitbater of klant. Maar ze hoedden zich er enigszins voor om iedere associatie met ‘vrouwen van lichte zeden’, die blijkbaar geregeld werd gemaakt, te vermijden.

Reclame voor café Les Milles Colonnes in Brussel. Ontwerper onbekend, 1850. Universiteitsbibliotheek Gent, Fonds Vliegende Bladen.

Koffie vs. cichorei

Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw en zeker in de negentiende eeuw nam het koffieverbruik sterk toe onder invloed van dalende prijzen. Van een gemiddeld verbruik van 500 gram per persoon per jaar aan het einde van de achttiende eeuw ging het naar 1,1 kilo in 1830 en 3,9 kilo in 1860.

Koffie werd niet langer alleen geschonken in koffiehuizen, maar ook in herbergen en steeds vaker thuis. Werkgevers zagen voordelen in de opwekkende effecten van de drank én aan buitenshuis koffiedrinken. Beter koffie dan alcohol op café. Koffie werd steeds meer gepromoot, ook door overheden, als een heilzame drank voor de midden- en arbeidersklasse.

Omdat het in verhouding een duur product bleef – vanaf 1850 stegen de prijzen opnieuw – werd in de loop van de negentiende eeuw ook naar surrogaten gezocht. Het bekendste, cichorei, was in periodes met hoge koffieprijzen soms tot zeven keer goedkoper. Het kreeg de bijnaam werkmanskoffie. En hoewel de meeste cichorei werd geteeld in West-Vlaanderen, was een van de bekendste branders Pacha uit Halle.

Reclame voor cichorei van Pacha. De beeldtaal is even exotisch als die van veel koffiemerken. Ontwerper onbekend, ca. 1950 - 1975. Collectie CAG.

Voor iedereen, altijd en overal

Vanaf de twintigste eeuw - met uitzondering van de wereldoorlogen - was er steeds meer koffie voor iedereen, altijd en overal. De koffiemomenten namen toe: ’s ochtends als start van de dag, ’s middags of ’s avonds na het eten. Ook de gelegenheden om buitenshuis koffie te drinken breidden uit met koffiehoeken in grootwarenhuizen, stationsbuffetten en kantines op het werk. Dat intussen de prijs van suiker sterk was gedaald, maakte dat wie koffie te bitter vond, een eenvoudige oplossing had.

Dat koffie lichaam en geest een boost kon geven speelde mee in de groeiende populariteit van de drank. Dat was letterlijk door de aanwezige cafeïne, maar ook figuurlijk doordat het vaak werd gedronken op een moment van pauze tijdens het werk. Maar koffie kon ook troost bieden: samen aan tafel met een warme drank en tijd voor een gesprek.

Alleen de jeugd bleef achter bij het koffiedrinken in de twintigste eeuw. Zij haalde haar cafeïne liever uit Coca-Cola dan uit koffie. Dat veranderde vanaf de jaren tachtig onder invloed van promotiecampagnes en de comeback van de grand-cafés. Vandaag is koffiedrinken hipper dan ooit.

Advertentie met een jonge man met een tas koffie in de hand en de tekst "Koffie. Zo ben ik". Uitgegeven door The International Coffee Organisation, 1988. Collectie Douwe Egberts.

Bibliografie

L. Beyers L. en I. van Damme (ed.), Antwerpen à la carte. Eten en de stad, van de middeleeuwen tot vandaag (Antwerpen 2016).

G. Draye en F. Paulussen, Koffiestories. Een complete koffiegeschiedenis van brander tot barista (Veurne 2020). 

H. Mc Gee, Over eten en koken. Wetenschap en cultuur in de keuken (Amsterdam 2006). 

D. ’s Heeren, Een kwestie van smaak. Menu’s, kookboeken en culinaire archivalia (Antwerpen 1994).

J. Peirelinck en F. Lauwers, Op koffieklets (Antwerpen 2016).

P. Reinders en T. Wijsenbeek (ed.), Koffie in Nederland: vier eeuwen cultuurgeschiedenis (Zutphen 1994). 

E. Robbrecht (ed.), Kawa. Koffie ontsluierd: van koffiestruik tot kopje koffie (Meise 1995).

N. Teughels, ‘Mag het iets meer zijn?’ Kleine kruideniers worden big business, Delhaize Frères & Cie (1867-1940) (Leuven 2014).

B.A. Weinberg en B. K. Bealer, The world of caffeine : the science and culture of the world's most popular drug (New York – Londen 2002). 

Terug naar boven