Het Plan Mansholt

Na enkele goede jaren voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, dringen zich omwille van de overproductie en de prijsstagnering aanpassingen op. Landbouwcommissaris Sicco Mansholt komt met drastische hervormingsplannen voor de landbouw. 

Eind december 1968 lanceert Sicco Mansholt het 'Memorandum Landbouw 1980', of voluit het 'Memorandum inzake de hervorming van de landbouw in de Europese Economische Gemeenschap'. Een lijvig, zesdelig document met een voorstel van maatregelen om het Europese marktevenwicht te herstellen, de overproductie aan te pakken en een einde te maken aan de inkomensongelijkheid tussen enerzijds de landbouwers en anderzijds werknemers en zelfstandigen uit andere sectoren.

Tijdens de betoging op 23 maart wordt het Plan Mansholt letterlijk ten grave gedragen, 23 maart 1971. KADOC - KU Leuven, Fotocollectie Boerenbond.

Het Memorandum Landbouw 1980

Mansholt op een persconferentie over het 'Memorandum Landbouw 1980' op 10 december 1968. ©Europese Gemeenschappen, EC - Audiovisual Service.

Mansholt wilt de boerenstiel moderner, grootschaliger en leefbaarder maken. Daarom stelt hij prijsmaatregelen voor en een vermindering van het landbouwareaal in de zes lidstaten met 5 miljoen hectare (6% van de totale oppervlakte). De actieve landbouwbevolking zou moeten afnemen met 5 miljoen landbouwers (45% van het totaal). Gestimuleerd door uittredingsvergoedingen en studiebeurzen, zouden boeren zich professioneel kunnen heroriënteren.

Daarnaast stelt Mansholt dat er nood is aan een structuurhervorming van de landbouwbedrijven. Grotere bedrijfseenheden moeten de kleine keuterboerderijtjes vervangen. Daarvoor worden minimumnormen voorgesteld: een akkerbouwbedrijf zou 80 tot 120 ha groot moeten zijn, melkveebedrijven hebben best 40 tot 60 koeien, bij vleesproductie gaat het om 150 à 200 runderen en voor mestvarkens ligt de norm op 450 tot 600 stuks.

‘Goede en verwerpelijke dingen’

‘Er zijn goede en er zijn verwerpelijke dingen in het Memorandum’, concludeert Constant Boon, voorzitter van de Belgische Boerenbond, in een toespraak in februari 1969. Die uitspraak vat de reacties op het Mansholtplan goed samen. Iedereen is het er immers over eens dat de toestand in de landbouw een drastische hervorming vereist. Echter, de prijsvoorstellen en vooral de structuurhervormingen kunnen niet rekenen op de goedkeuring van de boerenorganisaties. De zeer snelle en radicale verandering die Mansholt vraagt, wordt als weinig wenselijk en onrealistisch gezien. Sommige boerenvertegenwoordigers zetten Mansholt neer als een marxist. De ‘mammoetbedrijven’ die hij voorstelt, doen veel landbouwers immers denken aan het systeem van de kolchozen uit de Sovjet-Unie.

Zelfs voor de officiële voorstelling van het Plan Mansholt op 21 december 1968, kan men in De Boer de leuze ‘Plan Mansholt NEEN’, Welvarende gezinsbedrijven JA!’ terugvinden. De familiebedrijven zijn namelijk het hart van de Belgische landbouw, en bovendien vormen zij ook de kern van het ledenbestand van de Boerenbond. Ook de andere Belgische landbouworganisaties reageren op de publicatie van het Mansholtplan.

Bij het Algemeen Boerensyndicaat (ABS) roept het plan een heleboel vragen op, onder andere over de tewerkstellingsmogelijkheden van afvloeiende landbouwers. Ook met de prijzenpolitiek kan het ABS niet akkoord gaan. Het tijdschrift Landbouwleven geeft een artikel over het Memorandum de volgende titel mee ‘Verslagenheid en verontwaardiging bij de boeren’. In Wallonië wordt op een gelijkaardige manier gereageerd op de bom die het Mansholtplan is. UPA meent daarenboven dat de structuurpolitiek in de landbouw een nationale bevoegdheid moet zijn en dat de Europese gemeenschap zich enkel moet bekommeren over het markt- en prijsbeleid.

 

Sicco Mansholt en Constant Boon bediscussiëren het Plan Mansholt tijdens een Panorama uitzending op 18 december 1968, gemodereerd door Guido Naets. ©VRT-Beeldarchief. Zie ook Het Archief, meemoo.

Verschillende landen met verschillende wensen

Er wordt al snel getwijfeld of Mansholt en de Europese Commissie wel in staat zijn om een pasklare oplossing te vinden voor de veelheid aan landbouwproblemen in het Europa van de Zes. Ieder land heeft immers een eigen landbouwstructuur, met meer of minder export, grotere of kleinere bedrijven, ...

Waar Italië zowat als enige eerder positief staat tegenover de ondersteuning en ontwikkelingsprogramma’s, leeft in Nederland dan weer de vrees dat men te veel zal moeten meebetalen voor de achtergebleven gebieden in andere EEG-landen, aangezien de Nederlandse landbouw op dat moment het meest gemoderniseerd en productief is. Ook Frankrijk dringt aan op de uitwerking van een gemeenschappelijke financiering, terwijl het industriële Duitsland het programma en de financiering ervan meer nationaal wil houden. België werpt zich vooral op als grote verdediger van het gezinsbedrijf als basis van de landbouwstructuur, maar ook in Frankrijk vreest men voor de reactie van de kleine boeren.

Wies De Troch, die er in 1971 als student landbouwingenieur in Brussel bij was, zegt daarover:

"Mansholt stond voor een Europese situatie, en je zou kunnen zeggen dat het een beetje een gemiddelde was. Hij wou een soort van gemeenschappelijke deler vinden. Wat in België bijvoorbeeld een onvoldoende prijsniveau was, was wel voldoende in Nederland, voor melk. Voor graan was een voldoende prijs in Frankrijk niet genoeg voor een Belgische graanboer gezien het verschil in oppervlakte. In die zin heeft Mansholt een ondankbaar werk moeten doen."

Deze grafiek met het overzicht van de voornaamste landbouwproducten in de EEG verscheen in de 'Gids Land- en Tuinbouw in EEG', Jaarprogramma voor Boerengilden 1968-1969, een uitgave van de Public Relations van de Belgische Boerenbond. KADOC - KU Leuven, Archief Organisatiediensten van de Belgische Boerenbond.

Eindeloze vergaderingen

Het Plan Mansholt bevat louter aanbevelingen en nog geen vaststaand beleid. Van in het begin zijn wel de prijsmaatregelen verbonden aan het structuurbeleid. Mansholt schrijft in zijn Memorandum dat het ‘voor de hand ligt dat, zolang deze structurele gebreken bestaan, het prijs- en garantiebeleid in ruime mate door sociale overwegingen wordt bepaald’. De garantieprijzen voor landbouwproducten stagneren dus zolang er geen beleid voor de structuurhervorming vast staat.

De Ministerraad, met de landbouwministers uit de zes EEG-landen, stelt zich echter terughoudend op tegenover het Mansholtplan en komt maar niet tot een akkoord over de structuurhervorming. De landbouworganisaties, onder de vlag van het Comité des Organisations Professionnelles Agricoles (COPA), komen al in 1970 met eisenprogramma’s aankloppen bij de Europese Commissie en de Ministerraad. Hun standpunt is “Eerst de prijzen, dan de rest”. Het inkomen van de boer gaat er immers sterk op achteruit, terwijl de koopkracht in Europa voor de rest van de actieve bevolking toeneemt

Mansholt stelt op tal van plaatsen in de EEG zijn plan voor, maar wordt vaak uitgejouwd door de aanwezige boeren. Op 13 december 1969 stelt hij het Mansholtplan voor aan boeren in de Ostseehalle in Kiel, Duitsland. Stadsarchiv Kiel, Collectie Gesellschaft für Kieler Stadtgeschichte.

Terug naar boven