Omkadering

Langer dan andere beroepsgroepen hebben seizoenarbeiders moeten wachten op belangenverdediging, zowel door overheidsinstanties als door vakbonden. Na de Tweede Wereldoorlog speelde het ACV-verbond Leuven een voortrekkersrol in het verbeteren van de leef- en werkomstandigheden van landbouwseizoenarbeiders.

De Lourdes-wagon met Rillaarse seizoenarbeiders, 1960, Stadsarchief Leuven.

Priesters en placeurs

In 1903 stichtte Pierre August Verschueren, pastoor van Bekkevoort een ‘Vereeniging van Beetenmannen’. Hij koppelde boeren die werkvolk zochten aan werkwillige arbeiders. Nadien bezocht hij ook de geplaatste arbeiders. Voor het Hageland was dat de eerste organisatie die zich bekommerde om het lot van seizoenarbeiders.

In Oost- en West-Vlaanderen waren er tegen die tijd al meerdere beschermcomiteiten die voorzagen in financiële steun bij ziekte of ongeval. En ook de katholieke en christendemocratische politieke partij toonden enige bezorgdheid om de Oost- en Westvlaamse Franschmans.

Verschueren deed het werk van de placeurs: bemiddelen – tegen betaling - tussen boeren en arbeiders die sinds het einde van de negentiende eeuw opereerden. Kleine placeurs, cafébazen of dorpsplaceurs, hadden het beste met de seizoenarbeiders voor. Grote placeurs durfden al eens vooral bezig zijn met het eigen gewin. Zij zorgden voor een fikse commissie, ten nadele van de arbeiders.

De grootste Hagelandse placeurs verenigden zich in het Interbellum in het Syndikaat der Placeurs. Dat Syndikaat vergaderde ieder jaar rond Pasen in Tienen en bepaalde de prijzen voor de verschillende seizoensbewerkingen. Die prijzen werden vervolgens meegedeeld aan de boeren en de arbeiders, die er nauwelijks wat tegenin te brengen hadden.

Seizoenarbeiders wonen de mis bij tijdens bietenoogst, 1950 - 1975, Seizoensarbeidersmuseum.

Overheid

Na de Tweede Wereldoorlog verdwenen de placeurs. Van de 14 in 1947 bleven er in 1954 slechts 3 over. Hun taak was tegen die tijd overgenomen door de Rijksdienst voor Arbeidsbemiddeling en Werkloosheid. Die dienst verschafte de seizoenarbeiders officiële contracten en zorgde ervoor dat de arbeiders kregen waar ze recht op hadden volgens het systeem van de sociale zekerheid dat na de Tweede Wereldoorlog was ingevoerd.

De RVA, zoals de dienst sinds 1961 heet, staat tot vandaag in voor de werkloosheidsuitkeringen van seizoenarbeiders en voor controles op zwartwerk. De eigenlijke arbeidsbemiddeling raakte in 1989 gefederaliseerd en kwam in handen van de VDAB. De Fruitcel van de VDAB zorgt voor contacten en contracten tussen fruitbedrijven en plukkers. Een samenwerking met de dienst is niet verplicht, een Dimona-aangifte voor iedere tijdelijke plukker bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is dat wel.

Arbeiders aan het werk in conservenfabriek La Corbeille in Wespelaar, Seizoensarbeidersmuseum.

Vakbonden

Overheidsinstanties zorg(d)en voor omkadering van seizoenarbeid. De vakbonden, of liever: de Christelijke vakbond, zorgde voor echte belangenverdediging. ACV-Leuven speelde een voortrekkersrol, met in 1948 de organisatie van een eerste algemene seizoenarbeidersvergadering in Scherpenheuvel.

Na een tweede vergadering in 1949 werd een Seizoenarbeiderscentrale geïnstalleerd. Paul vanden Eynden werd tot secretaris benoemd. Tot 1965 voerde die centrale een strijd voor "erkenning en waardering, voor gelijkstelling tussen seizoenarbeiders en industrie-arbeiders, voor verbetering van de levensstandaard en voor ordening in de seizoenbedrijven".

Het ACV zorgde ook voor een Gids voor de seizoenarbeiders, voor een telefooncentrale en voor vrijgestelden die toerden in Wallonië. De vakbond organiseerde plaatselijke afdelingen – met vanaf het midden van de jaren vijftig per afdeling een seizoenarbeidersdag – en stimuleerde het groepsgevoel tussen alle Vlaamse seizoenarbeiders met bedevaarten naar Scherpenheuvel en Lourdes.

Na 1965, toen de centrale werd opgeheven, hield het ACV-Leuven de herinnering aan de seizoenarbeiders levendig. Hun werk diende als legitimatie om verder te blijven strijden voor een leefbaar Hageland. In 1986 werd beslist tot de oprichting van een standbeeld en de opening van een museum. Het standbeeld kwam er in 1988 in Rillaar, het museum opende in 2004 in Tielt-Winge.

Slijters tijdens een pauze, 1950, Provincie West-Vlaanderen.

Bibliografie

Cheyns, M. en Y. Segers, ‘Vlaamse boeren in Wallonië’, in: Idesbald Goddeeris en Roeland Hermans e.a., Vlaamse migranten in Wallonië (Tielt 2012), p. 70-97. 

Herinckx, A., Tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten in de fruitpluk: regio Hageland (Brussel 2009).

Mattheus, E. en W. van Calster, Hagelandse seizoensarbeiders (Rillaar 1988).

Musschoot, D., Van Franschmans en Walenmannen. Vlaamse seizoensarbeiders in den vreemde 19de-20ste eeuw (Tielt 2008).

Vliebergh, E., Het Hageland: bijdrage tot zijn ekonomische geschiedenis in de negentiende en begin der twintigste eeuw  (1914). Heruitgave: Vliebergh, E., De streek kan haar volk niet voeden, Pieter Dewever ed. (Tienen 2001).

Woestenborghs, B., Arbeiders in den vreemde. Of hoe in de negentiende en twintigste eeuw Vlaamse seizoensarbeiders hun brood elders moesten gaan verdienen (Gent 1993).

Beeld van de Seizoenarbeider, 1988, Beeldbank Standbeelden.be.

Auteur

Dr. Greet Draye (Leuven 1979) studeerde Geschiedenis aan de KULeuven. Zij promoveerde in 2007 op een onderzoek naar politiek en cultuur in negentiende eeuwse literaire genootschappen in Vlaanderen. Nadien (2007-2012) ontwikkelde zij als postdoctoraal medewerker aan de Onderzoeksgroep Geschiedenis van de KU Leuven Passages, een reeks leerboeken voor de tweede en derde graad van het Algemeen Secundair Onderwijs.

Sinds september 2012 werkt zij aan het CAG als coördinator van een project over arbeidsmigratie in het Hageland. Dat project voert zij uit in opdracht van de Projectvereniging Erfgoedregio Hageland. Het project resulteerde in 2013 in het onderzoeksrapport In en uit het Hageland. Arbeidsmigratie 1850-2010.

Terug naar boven