Een bijzondere rol voor de vrouwen

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was er op het thuisfront een belangrijke rol weggelegd voor de vrouw. Huishoudleraressen, leden van boerinnenkringen en andere geëngageerde vrouwen formuleerden tijdens de oorlog tal van voedingsadviezen en keukentips. Vrouwen schreven voor vrouwen. De huisvrouw werd aangeraden om spaarzaam met voeding om te gaan. Naast de publicatie van brochures en boekjes werden – weliswaar alleen in het Generaal-Gouvernement – ook tal van voordrachten en lezingen georganiseerd.

Het landbouwhuishoudonderwijs in Ronse, ca. 1925 - 1950, KADOC - KU Leuven.

Koppeling met de huishoudkunde

De voedselproblematiek tijdens de Eerste Wereldoorlog deed ook huishoudleraressen in hun pen kruipen. Het huishoud-onderwijs in België kende vanaf de jaren 1890 – toen de overheid voor het eerst financiële ondersteuning bood – een sterke groei.

Landbouwhuishoudscholen moesten meisjes van het platteland voorbereiden op hun latere taak als huisvrouw. De culinaire vorming was praktijkgericht en spitste zich toe op koken, het zelf telen van groenten en fruit en het bereiden van boter en kaas. Omstreeks de eeuwwisseling stonden België en Nederland aan de Europese top inzake huishoudonderwijs.

Tijdens de oorlog gaven tientallen leraressen in Nederland spreekbeurten en kookdemonstraties om burgers en arbeiders vertrouwd te maken met de principes van de 'rationeele voeding'. Er verschenen kookboekjes die rekening hielden met de beschikbare levensmiddelen, en die recepten bevatten voor goedkope, gezonde en smakelijke gerechten.

Leergang voor landbouwsters, circa 1939, Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG).

Goed bewaren is half gewonnen

Ook de Belgische huishoudleraressen speelden in op de levensmiddelenschaarste en de hoge voedselprijzen om hun inzichten en meer specifiek het belang van degelijk huishoudonderwijs en moderne voedingsadviezen te beklemtonen. Omdat het tijdens de oogstperiode belangrijk was om voedsel te bewaren, verschenen in sommige brochures verschillende conserveringsmethodes.

Het Praktisch en Spaarzaam Keukenboekje (1916) van Louisa Mannaert, lesgeefster aan de landbouw- en huishoudschool van Antwerpen, bevatte tips over het opleggen van groenten zoals snijbonen, witte kolen, ajuintjes en komkommers en het steriliseren van erwten, bonen, asperges, tomaten, zurkel en kervel. Het verwerken van fruit in diverse geleien en confituren kwam eveneens aan bod.

Mannaert besteedde aandacht aan het drogen en conserveren van fruit door bijvoorbeeld het maken van fruitazijn. Voor het optimaal bewaren van maaltijdoverschotten suggereerde ze het gebruik van een zoutoplossing. De filosofie van Mannaert was tweeledig: er mocht niets – of toch zo min mogelijk – verloren gaan, én de tekorten van het tussenseizoen en de winter moesten worden overbrugd.

Steriliseerpot, Museum het Gasthuis.

De vrouw als behoedster van het volk

In haar Eerste huishoudboekje: Ons dagelijksch brood (1915) bracht Emma Lamont, lid van het Oost-Vlaams Verbond van Boerinnenkringen, een handleiding tot het bereiden van eenvoudige maaltijden. Lamont hanteerde een sterk moraliserend discours. Volgens haar hielden sommige vrouwen zich voor de oorlog vooral bezig met mode en “vele meisjes wisten meer van muziek, sport en opschik dan van huishoudkunde”.

In oorlogstijd moesten vrouwen in staat zijn om met weinig middelen hun huisgenoten een smakelijke en gezonde maaltijd voor te schotelen. “Een flink beroepsonderwijs is de wezenlijke eer der vrouw; een vaardige huishoudster is een zegen voor de gansche familie”.

Lamont schreef talloze recepten voor de bereiding van dranken, soepen, krachtspijzen, peulvruchten, aardappelen en groenten. Elke verstandige huismoeder bracht afwisseling in de spijskaart, wist dat dure voeding niet noodzakelijk het beste was, leerde haar kinderen alles te eten (zodat niets verloren ging) en overhaaste zich niet tijdens het koken.

Keuken uit de negentiende eeuw, 1875 - 1925, Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG).

Niet zonder bijbedoeling

We stipten al eerder aan dat de oorlogssituatie een ideaal kader was voor sommige experts en voedingsspecialisten om hun inzichten met meer weerklank te verspreiden. De brochure La viande nous est-elle indispensable? (1916) van Tante Claire kan als voorbeeld dienen. Het werkje ontstond in de schoot van het Oeuvre de Vulgarisation d’Education alimentaire, opgericht in 1915 te Zinnik.

Het doel van deze vereniging was om plantaardige producten voor de menselijke voeding te promoten én om de vleesconsumptie te verminderen via het propageren van vleesloze recepten. De brochure van Tante Claire was dus niet alleen opgesteld om de bevolking zo goed mogelijk door de oorlog te loodsen, maar wilde vooral de mensen overtuigen om aan vleesmatiging te doen (“Elle n’est pas indispensable”), ook wanneer de oorlog voorbij zou zijn.

Het boekje van Tante Claire bevatte tal van richtlijnen om minder vlees te eten. Ten eerste moest de dagelijkse inname van vlees kleiner zijn dan 120 gram, ten tweede werd vlees beschouwd als een “aliment médicatement” (alleen vlees eten op doktersvoorschrift), ten derde kwam de dagelijkse vleesinname overeen met het lichaamsgewicht: een man van 75 kilo at bij voorkeur niet meer dan 75 gram, ten vierde werd vlees best driemaal per week vervangen door twee verse eieren gecombineerd met kaas en plantaardige eiwitten zoals groenten (peulvruchten) of noten en ten vijfde verzaakte men bij een zwakke maag best volledig aan vlees. Tante Claire gaf dus tips voor een gezonde voeding, maar hanteerde de oorlogssituatie als opstap voor de promotie van haar eigen vegetarische inzichten.

Titelpagina van ‘La Viande nous est-elle indispensable?’, 1916, Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience.

Duitse huismoeders hadden het lastig

Ook in Duitsland waren de oorlogskookboekjes talrijk verspreid. Huisvrouwen – als behoeders van ‘heem en haard’ – waren mentaal en fysiek verantwoordelijk voor de voeding van hun familie. De Duitse kookboeken waren duidelijk patriottisch geïnspireerd: de Engelse handelsblokkade – die de toevoer van levensmiddelen naar Duitsland afsloot – was een Krieg gegen Frauen und Kinder. Het was de taak van de vrouwen om te strijden tegen het Engelse uithongeringsplan. De geformuleerde voedseladviezen waren weinig anders dan de Belgische: peulvruchten, groenten, aardappelen vervingen vlees, zuivel en brood.

De kookboeken adviseerden om aan vlees- en vetmatiging te doen. De vleesschaarste werd echter verpakt als gezondheidsadvies: für Körper nicht nützlich, sondern eher schädlich. Uit de Duitse boekjes wordt ook de populariteit van de Kochkiste duidelijk, een warmte-isolerende kist waarbij gekookt voedsel uren warm bleef zonder extra energie te verbruiken. Aangezien de Duitse huisvrouwen ingeschakeld werden in de Duitse oorlogsindustrie – een verschilpunt met België – was tijdwinst bij het koken en sparen van energie niet onbelangrijk. In de Belgische boekjes is er weinig melding van dergelijke systemen (hoewel die er wel waren).

Tekening van een hooikist, Collectie Richard De Cuber.

Deel van een geheel

De voedingstips die de huishoudleraressen formuleerden tijdens de jaren 1914-1918 sloten grotendeels aan bij de handboeken voor het huishoudonderwijs die werden gebruikt voor en net na de oorlog. De kookboeken die verschenen tijdens de oorlog vormden een onderdeel van een traditie: ze adviseerden om spaarzaam en zuinig met voeding om te gaan, verbonden voeding met gezondheid in algemene zin en wezen op de morele en centrale rol van de huisvrouw. Een degelijke maaltijd bestond uit gezond voedsel, was licht verteerbaar en gevarieerd van samenstelling.

De voedingstips vertoonden echter ook al nieuwe, moderne elementen: ze richtten zich naar de gemiddelde consument, benadrukten het matigen van de vleesconsumptie, beklemtoonden het belang van het ontbijt en raadden de inname van een ideale hoeveelheid calorieën aan. Voldoende kauwen, niet eten tussen maaltijden en niet te snel eten waren adviezen die zowel voor, tijdens als na de oorlog te horen vielen. Aanbevolen diëten werden niet geïllustreerd via uitgebalanceerde menu’s maar meestal via een opsomming van levensmiddelen en hun calorische waarde.

Ecole ménagère agricole de Maulde: travail du lait et du beurre, 1901 - 1940, Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG).

Terug naar boven