De twee wereldoorlogen hadden grote invloed op het dagelijkse leven – en eten – van de Belgische bevolking. Twee jaren, 1917 en 1941, waren hongerjaren. Er was toen nauwelijks nog verschil in de voeding tussen arme en rijke mensen. Naast gelijkenissen waren er ook verschillen tussen de voedingssituatie tijdens de twee conflicten.
Zowel tijdens de Eerste als tijdens de Tweede Wereldoorlog schoten de voedselprijzen de hoogte in. Aan het einde van beide oorlogen bleken ze vertienvoudigd. Zulke inflaties waren sinds het begin van de negentiende eeuw niet meer voorgekomen.
De oorzaken van de prijsstijgingen waren tijdens beide oorlogen dezelfde: problemen met bevoorrading door handelsblokkades en inmenging van de bezetter. De precieze prijsevolutie tijdens de twee oorlogen was wel zeer verschillend. Waar tijdens de Eerste Wereldoorlog de voedselprijzen vooral stegen naar het einde van het conflict, stegen ze tijdens de Tweede Wereldoorlog in de eerste jaren.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog leed de Belgische landbouw zwaar. Er waren weinig landarbeiders beschikbaar waardoor velden niet geoogst raakten. Er was amper mest beschikbaar om de grond te verrijken. Omdat de honger groot was, werden niet zelden plantvoorraden opgegeten. Daardoor konden steeds vaker gronden niet meer worden bewerkt.
Jaar na jaar ging het slechter, jaar na jaar stegen daarom de prijzen. De gedaalde landbouwproductie werd niet goedgemaakt door een gestegen voedselimport, ondanks het bestaan van een Nationaal Hulp- en Voedingscomité dat de voedselimport en –distributie moest regelen. Dat Comité verdeelde, verspreid over de vier jaar, 4,8 miljoen ton goederen. Maar die invoer bedroeg slechts één vierde van het normale niveau zodat het probleem van schaarste en woekerprijzen bleef bestaan.
Toen België in 1918 werd bevrijd, was het erg onrustig. De winter stond voor de deur, de bevolking was uitgeput en had honger. De voedselprijzen bleven in eerste instantie hoog. Er braken stakingen en plunderingen uit. De overheid probeerde de rust terug te laten keren door algemeen mannenstemrecht uit te vaardigen en een duidelijk bevoorradings- en prijzenbeleid te voeren.
De landbouw leed merkelijk minder tijdens de Tweede Wereldoorlog. Haast alle gronden werden verder bebouwd en de opbrengsten waren vergelijkbaar met die in vredestijd. Anders dan bij de Eerste Wereldoorlog waren de winkels leeggehamsterd toen de oorlog effectief uitbrak.
Gezinnen hadden voorraden aangelegd, maar evengoed hadden kruideniers voorraden verstopt. Daarbij kwam dat de Duitse bezetter een strenge rantsoeneringspolitiek voerde. Vrijwel meteen groeide dan ook een zwarte markt, waar voor alles zeer hoge prijzen werden gevraagd.
Waar de koopkracht tijdens de Eerste Wereldoorlog steeds meer was afgenomen, kelderde die al aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, om vanaf 1944 weer toe te nemen. De voedselbevoorrading was echter al tegen 1942 goed op gang gekomen. Meteen na de bevrijding daalden de voedselprijzen, België bleef rustig.
Zowel tijdens de Eerste als tijdens de Tweede Wereldoorlog leed de Belgische bevolking honger, maar tijdens de Eerste Wereldoorlog meer dan tijdens de Tweede. In haast alle gezinnen daalde het calorieverbuik tijdens de oorlog met gemiddeld 25 à 40%. Alleen de hele rijken, die zich op de zwarte markt konden bevoorraden met wat ze maar wilden, en boeren die konden instaan voor hun eigen voedsel waren er beter aan toe.
De achteruitgang in de voedingssituatie was niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief. Het merendeel van de calorieën werd gehaald uit plantaardig voedsel. Aardappelen zorgden in mei 1941 voor 16% van de dagelijkse calorieën, in september van datzelfde jaar voor 26% en in de winter 1942-1943 voor 34%. Dat waren cijfers die negentiende-eeuws aandeden.
Toch overleefden de meeste mensen de honger. In de kleinste tuintjes, maar ook in parken en plantsoenen werden aardappelen geplant. Speciale kookboekjes werden uitgegeven om in oordlogstijd toch nog voedzaam te koken. Wie kon, probeerde bij te verdienen als poetsvrouw of kapper of werkte meer en harder. Fietsen en andere waardevolle bezittingen werden verkocht. Er werd gebedeld, gesmokkeld en gestolen.
B. Demasure, Boter bij de vis. Landbouw en voeding tijdens de Eerste Wereldoorlog. Leuven, 2014.
E. Niesten, J. Raymaekers en Y. Segers, Lekker dier!? Dierlijke productie en consumptie in de 19de en 20ste eeuw. Leuven, 2003.
E. Niesten, J. Raymaekers, Y. Segers en B. Woestenborghs, België kookt! De eeuw van Cauderlier 1830-1930. Leuven, 2004.
P. Scholliers, Arm en rijk aan tafel. Tweehonderd jaar eetcultuur in België. Berchem, 1993.
P. Scholliers, Twee eeuwen lasten en lusten aan tafel. Brussel, 2012.
Y. Segers, Economische groei en levensstandaard. Particuliere consumptie en voedselverbruik in België 1800-1913. Leuven, 2003.
Y. Segers en L. Van Molle, Leven van het land. Boeren in België 1750-2000. Leuven, 2004.
Y. Segers en L. Van Molle ed., The Agro-Food Market. Priduction, Distribution and Consumption. Turnhout, 2013.