Vroeger geleken alle paarden veel meer op elkaar omdat ze allemaal gelijkaardig werk moesten leveren. Met de komst van de Industriële Revolutie was er behoefte aan aparte types paarden voor landbouw en voor industrie. Het zogenaamde 'trekpaard' combineerde best van al kracht en uithoudingsvermogen met een zacht karakter.
Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw werd de selectie van dit ras professioneel georganiseerd en begon de 75-jarige glorietijd van het Belgisch trekpaard. Daarna bracht de toenemende mechanisering van de landbouw het trekpaard in verdrukking. Dit verhaal is gebaseerd op 'Het Belgisch trekpaard. Een levend monument' van Paul De Brauwer.
Door Paul De Brauwer, 2009
Tot de achttiende eeuw werd er overvloedig gekruist zonder een duidelijk doel. Er waren wel regionale verschillen, paarden werden daarom ook benoemd volgens die geografische herkomst.
Paarden waren, wegens de hoge kostprijs, aanvankelijk het exclusieve bezit van adel, overheid, rijke burgers en herenboeren.
De samenwerking tussen de fokkers en de Oostenrijkse bewindvoerders verliep nooit erg vlot. Onder het bewind van keizer Napoleon verging het de paardenfokkerij al niet veel beter. Alle steunmaatregelen werden in 1793 afgeschaft of opgeschort.
Zolang een paard niet volledig is doorgefokt, spreken we beter van een 'variant' of 'type' dan van een 'ras'. In de jaren 1880 werden het Vlaamse paard, de Ardenner en de Brabander als eenzelfde ras beschouwd.
De periode van 1880 tot 1950 zouden ware gloriejaren worden voor het Belgisch trekpaard, ook al ging het toen net als vroeger met hoogtes en laagtes.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog lieten 5.264 fokkers hun paarden in het stamboek inschrijven. Met de oorlog viel de uitvoer helemaal stil. De paardenstapel was serieus uitgedund door gevechten, opeisingen en honger. Pas na 1923 was er sprake van herstel.