Al vanaf de jaren 1850 werd geaccepteerd dat het menselijk lichaam net als machines brandstof nodig had om te werken. Aan het begin van de twintigste eeuw poneerden wetenschappers dat een hogere vleesconsumptie wenselijk was om de arbeidsproductiviteit de hoogte in te stuwen.
De voedingswetenschap evolueerde en al in de jaren 1930 werden ook de negatieve effecten op de gezondheid van een te vleesrijk dieet ontdekt, net zoals het belang van vitaminen en mineralen voor de gezondheid. Er werd meer nadruk gelegd op kwaliteit van de voeding, niet op de kwantiteit.
De nood naar een hoge calorie-inname was door de voortdurende industrialisatie niet meer zo groot. Deze nieuwe wetenschappelijke inzichten vonden wel hun weg naar de keuken via kookboeken en recepten in tijdschriften, maar had amper impact op de ondertussen vastgeroeste eetgewoonten. De Vlaming bleef – indien hij kon – veel vlees eten en behield een calorierijk dieet.
"Aan het einde van de jaren 1940 droeg het voedingspatroon nog veel sporen van de oorlog in zich: noodgedwongen at men veel aardappelen, groenten en fruit, maar weinig vlees, boter en brood."
Een heleboel voedingsrichtlijnen in Vlaanderen ontstonden in de naoorlogse periode van 1945 tot 1960. Aan het einde van de jaren 1940 droeg het voedingspatroon nog veel sporen van de oorlog in zich: noodgedwongen at men veel aardappelen, groenten en fruit, maar weinig vlees, boter en brood.
Zodra het weer te veroorloven was, keerde de Vlaming terug naar een dieet met meer vlees, boter en brood. Daarom werd tot in de jaren 1950 in het tijdschrift De Boerin een campagne opgezet om de consumptie van (rauwe) groenten aan te sporen en de lezer te overtuigen van de voedingswaarde ervan. Opnieuw bleef de Vlaming echter vasthouden aan zijn eerder ongezond en vleesrijk dieet.
In de tweede helft van de twintigste eeuw verschenen wel steeds meer verwijzingen naar gezondheid en gezond eten in kookboeken en magazines. De promotie van groenten, maar ook van zuivel aan het eind van de jaren 1950, gebeurde niet alleen vanuit gezondheidsoverwegingen. Vanuit een landbouwpolitiek standpunt waren de campagnes gericht op een hogere productie.
"De introductie van de ‘Schijf van vijf’ moest huisvrouwen helpen een meer gebalanceerd dieet samen te stellen voor hun gezin."
Vanaf de jaren 1960 werd een ommekeer ingezet, die samenging met de modernisering en internationalisering in de keuken. Kookboeken gingen steeds meer gevarieerde en verfijnde recepten bevatten, alsook meer exotische schotels (zij het in een Vlaamse interpretatie van het originele recept).
Daarnaast groeide de hoeveelheid aan informatie, werden verzadigde en onverzadigde vetzuren ontdekt en moest men plots gaan rekening houden met cholesterol.
De introductie van de ‘Schijf van vijf’ moest huisvrouwen helpen een meer gebalanceerd dieet samen te stellen voor hun gezin. Door groeiende voedingskennis evolueerde de schijf naar een klavertjevier, naar een voedingspiramide, tot de omgekeerde voedingsdriehoek die vandaag wordt gebruikt in Vlaanderen.
Ondanks allerlei inzichten van voedings- en gezondheidskundigen, evolueerde het voedingspatroon vooral ten gevolge van sociale en economische veranderingen.
Stilaan ging er meer aandacht naar fit en gezond zijn, het ideale gewicht bereiken enzovoort. In de jaren '70 was gezond eten, koken met lightproducten en mager vlees eten echter vooral een bezorgdheid van de rijkere mensen.
In de jaren 1980 breidde de bewuste omgang met voeding verder uit van de rijksten naar de middenklasse. Men ging meer gevarieerd eten en groenten kregen een meer prominente plaats in de maaltijdsamenstelling.
Er kwam bovendien bij de consumenten de vraag naar meer info over de producten die ze eten. Die vraag werd internationaal beantwoord, onder andere door de uitvaardiging van voedingsrichtlijnen door de FAO (Food and Agriculture Organization) en WHO (World Health Organization).
Tegelijkertijd begon sterk bewerkte voeding echter aan een opmars. Deze evolutie was gestoeld op de globalisering, de technische mogelijkheden van de levensmiddelenindustrie, de enorme groei van voedseldistributie- en productiesystemen en de vraag naar meer ‘gemak’.
Fastfoodrestaurants deden hun intrede en het aanbod kant-en-klare maaltijden werd steeds groter. Dat leidde eerder tot een verslechtering van de voedingskwaliteit.
Ondertussen weet iedereen dat gezonde voeding essentieel is voor een gezond lichaam en de gemiddelde consument lijkt er steeds meer interesse voor te tonen. Maar wat nu precies gezond is, is niet altijd even duidelijk.
"Wat men al van in de jaren 1930 benadrukt, dringt nu stilaan door tot in de Belgische keukens."
Vandaag de dag circuleren er tal van onofficiële richtlijnen over voeding en een gezonde levensstijl. Consumenten zijn vaak verward door alle informatie en tegenstrijdige adviezen.
Wel is al overtuigend aangetoond dat voedingspatronen met minder dierlijke en meer plantaardige voedingsmiddelen, zoals een Mediterraan dieet, allerlei gezondheidsrisico’s verlagen. Wat men al van in de jaren 1930 benadrukt, dringt nu stilaan door tot in de Belgische keukens. De afgelopen 15 jaar daalde de vleesconsumptie in ons land. Steeds meer mensen benoemen zichzelf als ‘flexitariër’ en eten minstens eenmaal per week vegetarisch.
Hoewel er nog een overdaad is aan sterk bewerkte producten die algemeen als ongezond worden aanschouwd en obesitas een groeiend probleem is in eerstewereldlanden, zijn er steeds meer initiatieven om de consument op weg te zetten naar een gezond voedingspatroon. Er wordt meer informatie geboden op de verpakking, met als recente toevoeging de NutriScore die per productcategorie moet duidelijk maken welk product een betere of slechtere keuze is.
Het programma Factcheckers van de VRT testte onlangs hoe je de NutriScore precies moet interpreteren (vanaf min. 26:15).